Hoger beroep Octopus-proces

 

Op 7 maart 1997 werd bekend dat de behandeling van het hoger beroep tegen Johan V. en Koos R. aan het begin van september 1997 zou beginnen bij het gerechtshof in Amsterdam.
In juli konden de verdediging en aanklagers bij het hof aangeven wie zij als getuigen wilden horen.
Op 20 juni 1997 vroegen de advocaten van V. en R., bij de start van de hoger beroepzaak, het gerechtshof om de behandeling van het hoger beroep uit te stellen. Het begin van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep stond gepland voor 8 september 1997. De advocaten verwezen naar de Securitelzaak en wilden eerst zekerheid dat de bij het onderzoek tegen V. en R. gebruikte technische hulpmiddelen wel waren aangemeld en wettig waren. Als dat niet het geval zou zijn, dan zou het OM niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Vooruitlopend daarop vroegen de advocaten om onmiddellijke invrijheidsstelling van V. en R..
Volgens advocaat Moszkowicz was het OM niet ontvankelijk omdat in het onderzoek gebruikte meetapparatuur voor het nemen van hasjmonsters niet zou zijn aangemeld bij de Europese Unie. Het Europese Hof stelde op 30 april 1996 in het Securitel-arrest dat een dergelijke nalatigheid wettelijke regels ongeldig maakte.
Procureur-generaal A. Korvinus verklaarde op 20 juni 1997 tijdens de zitting dat de voorzitter van het college van procureurs-generaal, mr. Docters van Leeuwen, in 1995 de deal tussen het OM in Amsterdam en een aantal criminelen om op te treden als kroongetuige had goedgekeurd zonder daartoe bevoegd te zijn geweest.
Johan V. was zelf niet aanwezig bij de zitting ‘uit protest tegen het enorme mediacircus’ dat volgens hem van de zaak werd gemaakt.
Op 27 juni 1997 besliste het gerechthsof dat het Securitel-arrest alleen gold voor zaken waar het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Gemeenschap aan de orde was en dat het arrest dus geen gevolgen zou hebben voor de zaak tegen V. en zijn medeverdachten.
De advocaten van V. en R. lieten enkele dagen voor de start van het hoger beroep weten dat ze de zaak met vertrouwen tegemoet zagen. De belangrijkste reden voor hun optimisme was het vonnis in de zaak tegen kroongetuige Ad K.. De rechtbank in Amsterdam had op 21 augustus 1997 geoordeeld dat de deal tussen het OM en K. niet door de beugel kon. Bram Moszkowicz verklaarde: “De uitspraak in de zaak-K. is een bevestiging van hetgeen de verdediging over de deal heeft gezegd tijdens het Hakkelaarproces voor de rechtbank. Het feit dat wij de rechtbank nu aan onze zijde vinden, is natuurlijk een belangrijke ruggesteun voor het proces in hoger beroep.”
Op 8 september 1997 begon het hoger beroep bij het gerechtshof in Amsterdam. De advocaat van Koos R. trok op de eerste dag direct aan de noodrem toen zijn cliënt spontaan inging op vragen van het hof. Na een gesprek tussen advocaat Spong en R. hield hij verder zijn mond. De rechtbank had R. onder meer vragen gesteld over een uitspraak van R. dat hij ten onrechte werd gezien als rechterhand of lijfwacht van V.. Hij had gezegd: “Dat ik toevallig veel mensen ken uit het criminele circuit, wil nog niet zeggen dat ik zelf een leidinggevende rol in een criminele organisatie speel. De mensen die dat verklaren hebben dat niet van mij of hebben er zelf belang bij mij te belasten.” R. gaf toe dat hij bij besprekingen aanwezig was geweest, maar hij ‘zat er alleen bij’ en had ‘niet geluisterd naar wat er besproken werd’. Het gerechthof had ook vragen over een bankrekening bij de Femis-bank die de geboortedatum van R. als toegangscode had. Volgens R. was dat toeval. De verklaringen van R. leken de verklaringen van kroongetuige Ad K. te bevestigen.
Het gerechtshof zou op de eerste dag van het hoger beroep zeven getuigen horen, maar het bleef bij twee. De advocaten zagen van een aantal getuigen af en één getuige, de voormalige vriendin van Fouad A., verscheen niet voor het gerechtshof. Ook een getuige uit Dubai bleef weg.
Op 10 september kwam R. terug op de uitspraken die hij twee dagen eerder had gedaan. Volgens R. was zijn verklaring verkeerd opgevat, voornamelijk door de pers.
De president van het hof verzekerde R. dat het college zijn verklaring niet had opgevat als een bevestiging van de verklaringen van kroongetuige K..
De officier van justitie Teeven en Witteveen werden op 16 en 18 september 1997 door de rechtbank gehoord als getuigen. Ze werden ondervraagd over de deals met de kroongetuigen A. en K.. De verdediging wilde tevens de voormalige CID’er Klaas Langendoen oproepen als getuige, maar dat werd door het gerechtshof afgewezen. De verdediging had gehoopt van Langendoen te horen dat in het onderzoek naar Johan V. en Koos R. besmette informatie was gebruikt en dat ze al veel eerder vervolgd hadden kunnen worden.
Op 30 september 1997 werd K. verhoord voor het gerechtshof. K. bleef bij zijn belastende verklaringen over V. en R.. K. werd tijdens de zitting voor de pers en het publiek verborgen achter een kamerscherm. Ook droeg hij een pruik en snor. K. verklaarde dat zijn hele leven was veranderd sinds hij een deal had gesloten met justitie en dat hij spijt had dat hij had meegewerkt. Hij zou diep ongelukkig door het leven gaan en op wisselende locaties worden bewaakt door zwaarbewapende beveiligingsagenten. K. vond dat hij zichzelf daarmee in feite tot levenslang had veroordeeld.
Op 6 oktober 1997 verklaarde de ex-vriendin van Ad K. dat het OM K. 200.000 gulden had toegezegd als hij zou belastende verklaringen zou afleggen tegen o.a. Johan V.. K. en officier van justitie Teeven hadden eerder verklaard dat K. geen geldelijke beloning in het vooruitzicht was gesteld. De ex-vriendin verklaarde verder dat K. 1,2 miljoen Duitse marken op een geheime bankrekening in Oostenrijk had staan. Het OM in Amsterdam ging naar aanleiding van de verklaring van de ex-vriendin onderzoeken of het klopte dat K. een dergelijk bedrag op een bankrekening had. Justitie had het vermogen van K. tot dan toe op 100.000 gulden geschat. Officier van justitie Teeven sloot niet uit dat eventuele criminele winsten alsnog van K. zouden worden afgepakt.
Op 6 oktober stond oorspronkelijk ook een verhoor van Fouad A. op het programma, maar het was justitie niet gelukt hem vanuit zijn Londense cel naar Nederland te krijgen.
A. werd op 20 oktober alsnog verhoord. Hij bleef bij zijn eerdere verklaringen. Johan V. was op 20 oktober voor het eerst ook zelf bij de zitting aanwezig. Bij eerdere zittingen had hij steeds geweigerd om naar de rechtbank te komen uit protest tegen het ‘mediacircus’ rond het proces en omdat hij geen vertrouwen zou hebben in de rechtspraak in Nederland.
Op 29 december 1997 werd tegen V. een celstraf van 7 jaar geëist. Tegen Koos R. werd 5 jaar geëist. Ook zouden beiden een boete van 1 miljoen gulden moeten betalen. Bij de eisen hield justitie rekening met het feit dat V. en R. hun voorarrest van bijna 2 jaar in de EBI hadden doorgebracht.
Op 30 januari 1998 werd Johan V. door het gerechtshof in Amsterdam tot 5,5 jaar celstraf en 1 miljoen gulden boete veroordeeld. Koos R. werd tot 3,5 jaar veroordeeld. Hij hoefde geen boete te betalen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *