Het Octopus-proces

Op 22 april 1996 begon het proces tegen Johan V. en enkele medeverdachten met een pro-forma zitting. Een dag later verklaarde officier van justitie waarom het onderzoek naar de bende van V. nog niet in het eindstadium was. Volgens Witteveen verwachtte justitie binnen drie maanden buitengewoon belangrijk en belastend materiaal aan het dossier te kunnen toevoegen. Het onderzoek richtte zich op dat moment onder meer op contacten met mogelijke corrupte overheidsfunctionarissen.
De rechtbank wees op 23 april 1996 een verzoek van de verdediging af om minister van justitie Sorgdrager op de getuigenlijst te plaatsen.
Op 9 oktober 1996 vond wederom een pro forma-zitting plaats. Advocaat Spong liet tijdens die zitting weten dat de verdediging de messen aan het slijpen was voor de inhoudelijke behandeling van de zaak die in december 1996 zou beginnen. De advocaten lieten tijdens de zitting weten dat het het OM erg kwalijk nam dat er sprake was van financiële en andere regelingen voor kroongetuigen in het proces. Officier van Justitie Witteveen had zelf eerder verklaard dat hij de afspraken met de kroongetuigen in de zaak eigenlijk ‘pijnlijk’ vond. Hij zei verder dat het OM een dergelijke deal niet snel opnieuw zou maken.
De verdediging van Johan V., Koos R. en Bertus Kwarten had opnieuw gevraagd om minister van justitie Sorgdrager op de getuigenlijst te zetten om haar te kunnen horen over de deal die het OM had gesloten met Ad K.. De Amsterdamse rechtbank besloot op 10 oktober 1996 voor de 2e keer dat de minister niet hoefde te getuigen. Volgens rechtbankvoorzitter Lauwaars kon Sorgdrager niet ‘uit eigen wetenschap’ kennis hebben die kon bijdragen aan het bewijs.
Op 3 december 1996 begon de inhoudelijke behandeling van het proces tegen V., R. en Kwarten. De rechtsbank aan de Parnassusweg was veranderd in een onneembare vesting met ongekend zware veiligheidsmaatregelen. Op de eerste dag maakte het OM bekend dat ze kroongetuige Fouad A. op een geheime locatie en onder zeer strenge veiligheidsmaatregelen wilde verhoren. Volgens officier van justitie Teeven liep het leven van A. gevaar. De verdediging en het OM betichtten elkaar van ‘wangedrag’.
Voormalig politiechef F. van der Putten werd door de verdediging van Johan V. betiteld als hun kroongetuige. Van der Putten zou bij een notaris een verklaring hebben afgelegd en daaruit zou blijken dat het bewijs tegen V. en Koos R. onrechtmatig was verkregen. Het OM beschuldigde Van der Putten er van dat hij met een aantal op non-actief gestelde politiemensen, gebruik makend van zijn oude contacten binnen de politie, tegen betaling informatie verstrekte aan de advocaten van V. en R.. De verklaring van Van der Putten was volgens het OM niet betrouwbaar en zou zijn gekleurd door persoonlijke wraakgevoelens tegen het Amsterdamse OM.
De rechtbank besloot op 5 december dat kroongetuigen A. en K. achter gesloten deuren zouden worden gehoord. K. verscheen diezelfde dag nog voor de rechtbank, vermomd met bril, baard en snor en geflankeerd door veiligheidsmensen in kogelwerende vesten. Hij verklaarde dat Johan V. de leider was van de drugsorganisatie en dat Koos R. zijn rechterhand was. K. liet weten dat hij, nadat hij door Frankrijk aan Nederland was uitgeleverd, aanvankelijk gefantaseerde verklaringen op papier liet zetten omdat de advocaat die hem bijstond zou hebben gewerkt voor V..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *