Henk Orlando R

Bijnamen:”Zwarte Cobra”,”Eddy Murphy”.

 

 

Henk Orlando R. werd op 4 maart 1951 geboren in Paramaribo, Suriname. Op 3-jarige leeftijd was het met zijn familie naar Nederland gekomen. Na zijn schoolperiode werkte hij enige tijd als metaalbewerker. R. hield zich in de jaren-70 bezig met de handel in 2e hands auto’s en in gestolen antiek. In mei 1977 werd hij veroordeeld tot 3,5 jaar cel voor ondermeer handel in een gestolen Rembrandt. Na zijn vrijlating ging hij zich bezighouden met de drugshandel.

Op 23 februari 1982 werd R. door agenten van de algemene verkeerdienst van de rijkspolitie gearresteerd na een achtervolging. R. was in het bezit van een pond hasj. De achtervolging begon op de A2 tussen Utrecht en Amsterdam en eindigde toen R. met zijn auto op een vrachtwagen was ingereden.

R. zat in het midden van de jaren-80 een straf uit voor drugssmokkel in Marokko. R. is sinds het midden van de jaren-80 meer dan een goede bekende van Johan V. In de periode dat hij in Marokko vast zit, onderhoudt V., volgens verklaringen van getuigen, het gezin van R. In 1988 werd hij in België veroordeeld tot 10 jaar cel, maar hij zat van die straf geen dag uit. Na zijn vrijlating specialiseerde hij zich in de drugssmokkel vanuit Marokko waar zijn organisatie zou beschikken over een eigen netwerk van contactpersonen. Hij had een geschatte omzet van 240 miljoen gulden. Aan het eind van 1990 zou R. een deal hebben gesloten met Fouad A. Hij zou samen met A. hasj smokkelen naar Canada. Hij handelt in die jaren in zowel hard als softdrugs en xtc.

In het najaar van 1990 laat de Utrechtse politie een misdaadanalyse maken op basis van informatie die gedurende 10 jaar is verzameld. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van corruptie binnen het Utrechtse korps. Uit het onderzoek van de Utrechtse politie komt ook naar voren dat R. samen met Jaap van der Heiden een hasjtransport van 18.000 kilo heeft opgezet. Het schip met de hasj, de Brittannia, wordt door de Britse douane geënterd op 20 november 1992. Het is op dat moment de grootste hasjvangst in de Britse geschiedenis. R. werd later ook genoemd als opdrachtgever voor de moord op Van der Heiden.

R. werd op 10 mei 1993 gearresteerd door het Regionaal Recherche Team Utrecht en werd zijn bende opgerold. Volgens justitie was de totale omzet van de bende ongeveer 240 miljoen gulden. Het geld werd voornamelijk witgewassen in Amsterdamse wisselkantoren. Een deel van het geld werd geïnvesteerd in onroerend goed en in een telecommunicatiebedrijf, waardoor de bendeleden snel van nummer en telefoon konden wisselen. R. kreeg van de belastingdienst een naheffing van een kleine 12 miljoen gulden.

Op 29 maart 1994 werd R. door de rechtbank in Utrecht veroordeeld tot een celstraf van 5 jaar en een boete van bijna 1,5 miljoen gulden.

R. werd op 1 december 1994 door het gerechtshof in Amsterdam op vrije voeten gesteld, samen met Frans M. en Walter D.. Het hof oordeelde dat de CID Utrecht bewust een aantal inkijkoperaties had verzwegen voor het OM en daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens de behandeling voor de rechtbank in Utrecht had het OM verklaard dat er geen inkijkoperaties hadden plaatsgevonden. Kort voor de behandeling bij het gerechtshof kwamen processen-verbaal boven water waaruit bleek dat de CID in 4 loodsen in Muiden en Landsmeer had ingebroken op zoek naar informatie.

R. werd wel tot een maand celstraf veroordeeld het bezit van een vuurwapen en een plak hasj.

Het gerechtshof veroordeelde R. alleen voor verboden wapenbezig en het bezit van 1 kilo hasj. Hij kreeg daarvoor 2 maanden celstraf en 1000 gulden boete. Op 18 maart 1995 liet de advocaat van R. weten dat zijn cliënt bereid was om met de fiscus een regeling te treffen over de betaling van de belastingschuld.

In de nacht van 8 op 9 mei 1993 werd in Antwerpen Henie Shamel samen met zijn vriendin doodgeschoten. R. werkte al sinds 1979 samen met Shamel in de hasjhandel. In 1983 zou er tussen Shamel en Stanley Kai E. een probleem zijn ontstaan en Shamel zou in 1984 een aanslag hebben laten plegen op E.. Henk R. werd daarop aangekeken en dat zou voor hem reden zijn geweest om te breken met Shamel. R. en Shamel zouden in 1984 een partij van 1300 kilo hasj hebben geprobeerd te smokkelen, maar de partij werd onderschept. Voor deze partij hasj werd R. in België tot 10 jaar veroordeeld. Shamel zou 1 a 2 miljoen gulden hebben gevorderd van R. voor de verloren drugs, maar R. weigerde dit te betalen. In 1991 zou Shamel van plan zijn geweest om R. te ontvoeren om zo alsnog aan zijn geld te komen. Hij zou hiervoor Geurt R. hebben benaderd. Die zou echter ruzie met Shamel hebben gekregen en het plan ging niet door. Op 1 februari 1992 zou Henk R. van Rob Kouffeld hebben gehoord dat Shamel een aanslag op R. wilde laten plegen. R. zou na zware druk van Shamel uiteindelijk kleine bedragen hebben betaald. R. zou Jesse R. hebben benaderd om Shamel te liquideren en er zou 150.000 gulden zijn betaald voor de moord, die zou zijn uitgevoerd door Siegfried S. en Mitchel R. In de zomer van 1994 werd Henk R. aangehouden als verdachte voor de liquidatie van Shamel. Hij kwam al snel weer vrij in verband met gebrek aan bewijs.

Op 11 december 1996 verscheen R. als getuige in het proces tegen Johan V. Hij verklaarde dat hij nooit in hasj had gehandeld en dat hij V. nooit had voorgesteld aan diens latere Canadese zakenrelaties, zoals werd beweerd.

R. beriep zich tijdens zijn getuigenis meerdere malen op zijn verschoningsrecht. “Ik had hier nooit moeten komen”, verzuchtte hij. De officieren van justitie deden een poging om R. te laten vervolgen voor meineed, maar de rechtbank honoreerde de poging niet. De verklaringen van R. stonden haaks op die van kroongetuige Fouad A. Volgens R. was A. iemand die op grote schaal in soft- en harddrugs handelende en wellicht betrokken was bij liquidaties.

R. liet kort voor hij moest getuigen in het proces tegen V. in een interview met De Telegraaf weten dat hij zelf ook drugsdeals had gesloten met A. Volgens R. zou A. voor tientallen miljoenen schulden hebben gehad bij hasjleveranciers uit Pakistan. Om hem onder dwang te zetten om te betalen zouden de kinderen van A. zijn ontvoerd, volgens R.

Henk R. zou bij de geboorte van Jesse R. aanwezig zijn geweest en ook de peetvader van R. zijn.

Op 3 juli 1998 werd een 27-jarige man in Amsterdam veroordeeld tot 9 jaar cel voor een mislukt transport van 50 kilo cocaïne en enkele honderden kilo’s hasj van Nederland naar Engeland. De man zou ook achter een plan zitten om Henk R. uit de weg te ruimen. Hij zou R. verantwoordelijk hebben gehouden voor het mislukken van het transport. Rond 1992 zou een Joegoslavisch moordcommando door de politie zijn gearresteerd. Ze zouden van plan zijn geweest R. te vermoorden.

In januari 1998 werd hij in Spanje gearresteerd, nadat de Amsterdamse politie een internationaal opsporingsbevel tegen hem had uitgevaardigd. Op 18 mei 1999 werd R. door Spanje aan Nederland uitgeleverd. Een week eerder had hij het verzet tegen zijn uitlevering gestaakt. In Nederland moest hij terecht staan voor deelname aan een criminele organisatie en een drugstransport naar Engeland.

Op 8 juni 1998 begon in Amsterdam het proces tegen enkele medeverdachten van R. Volgens officier van justitie Fred Teeven was het onderzoek tegen R. een ‘schoolvoorbeeld van hoe criminele organisaties soms met elkaar verweven zijn’. Tijdens het onderzoek naar de bende van Cor van Hout stuitte de politie op een drugstransport naar Engeland. Uit verder onderzoek kwam naar voren dat de organisatie van R. vermoedelijk achter dat transport zat.

Op 12 juni 1998 eiste officier van justitie Teeven voor de rechtbank in Amsterdam celstraffen tot 12 jaar tegen 11 medeverdachten van R.

Op 1 december 1999 werd het voorarrest van Henk R. niet verlengd, omdat de Amsterdamse rechtbank verwachtte dat zijn straf lager zou uitvallen dan de totale tijd dat R. al in voorarrest zat. Op 7 februari 2000 werd R., overeenkomstig de eis, vrijgesproken van deelname aan deelname aan een criminele organisatie. Op 10 februari werd er 5 jaar geëist tegen hem in verband met het drugstransport naar Engeland en op donderdag 24 februari 2000 werd hij voor dat transport veroordeeld tot 3.5 jaar cel. Henk R. ging in beroep tegen deze veroordeling. Op 1 december 2000 werd hij opnieuw gearresteerd omdat hij na zijn vrijlating in december 1999 zich opnieuw zou hebben beziggehouden met drugshandel. Op 3 april 2003 werd hij gearresteerd en op 22 juli veroordeeld tot 1 jaar cel. R. werd op 12 november 2003 gearresteerd in Malaga, Spanje. In maart 2003 zou hij zaken hebben gedaan met een undercover DEA-agent. In april 2004 werd bekend dat Nederland om zijn uitlevering zou gaan vragen bij Spanje. Uiteindelijk zag Nederland daar toch vanaf. R. eiste vervolgens in een kort geding dat hij alsnog uitgeleverd zou worden aan Nederland en niet aan de USA. Op 11 augustus 2004 besliste de rechtbank in Den Haag dat Nederland niet bij Spanje om zijn uitlevering hoeft te vragen. Als R. toch aan Nederland zou zijn uitgeleverd en daarna pas aan de USA, dan zou hem dat een veel kortere celstraf hebben opgeleverd.

Aan het eind van december 2004 besliste Spanje dat R. aan de USA uitgeleverd mocht worden en in 2005 werd R. dan ook uitgeleverd aan de USA. Er hangt hem een straf van minstens 10 jaar cel boven het hoofd. In augustus 2005 werd in een column in de Telegraaf geschreven over R. Hij zou het zwaar hebben in de gevangenis (Metropolitan Correctional Center in New York) waar hij een cel zou delen met de zoon van de overleden maffiabaas John Gotti. Hij zou financieel aan de grond zitten en zou een aanbod van een Amerikaanse aanklager om in ruil voor een schuldbekentenis een gevangenisstraf van 87 maanden te accepteren, hebben afgeslagen. In september 2005 moet hij zich verantwoorden voor een jury. Aan het eind van september werd bekend dat de belangrijkste bewijzen tegen R. afkomstig zijn van een Nederlandse informant. Hij zou R. naar de Bermuda’s hebben gelokt waar er met een DEA-agent werd gesproken over het opzetten van een xtc-lijn van Nederland naar de USA. Op 30 september 2005 werd R. schuldig bevonden door de Amerikaanse jury.

Aan het begin van januari 2006 vroeg minister Donner van justitie de USA om opheldering over een verboden opsporingsactie van de DEA in Nederland. Een Nederlandse criminele informant probeerde samen met een DEA-agent R. over te halen om xtc naar de USA te smokkelen. Deze manier van uitlokking is in Nederland verboden. De USA had Nederland gevraagd een dergelijke actie te mogen uitvoeren en dit verzoek was door de Nederlandse justitie afgewezen. De Amerikanen hebben de actie echter toch doorgezet.

Op dinsdag 17 januari 2006 werd R. tot 20 jaar cel veroordeeld.

R. diende een verzoek in om zijn straf uit te mogen zitten in Nederland. De Amerikaanse justitie wees dit verzoek af in april 2009. Volgens het ministerie van justitie vanwege het ernstige misdrijf waarvoor R. was veroordeeld en het feit dat hij nog een hoge boete zou hebben openstaan.

Op 11 oktober 2011 werd Harrie W. als getuige gehoord in het grote liquidatieproces. Hij verklaarde dat hij ergens tussen 1993 en 1995 voor Henk R. was gaan werken. Henk R. en ‘Moppie’ R. zouden hem in vertrouwen hebben verteld over enkele liquidaties. Volgens W. had ‘Moppie’ hem verteld dat Henie Shamel en Anne de Wit in opdracht van Henk R. waren geliquideerd omdat R. dat goedkoper zou hebben gevonden dan zijn schuld van meer dan één miljoen gulden af te lossen. W. verklaarde dat hij de bekentenis van ‘Moppie’ als een waarschuwing had opgevat: leen R. geen al te grote bedragen, want voordat je het weet, ga je eraan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *